Navigatie

Evidence rapport hyponatriëmie diagnose

Uit Richtlijn elektrolytstoornissen

Ga naar: navigatie, zoeken


Onderzoek bij een beperkt aantal (n=12) patiënten opgenomen op een neurochirurgische afdeling (veelal na een subarachnoïdale bloeding) liet zien dat de excretie van natrium, kalium en chloride accuraat bepaald kan worden, mits de input en output goed worden gemeten en er initiële en actuele metingen van natrium, kalium en chloride in het serum beschikbaar zijn. [Carlotti, 2001]. Vanwege het kleine aantal patiënten in dit onderzoek, is de betrouwbaarheid van de resultaten beperkt en extrapolatie lastig.
Veel patiënten met hyponatriëmie worden met diuretica behandeld. Het stellen van de diagnose SIADH is bij deze patiënten lastig, omdat het urine natrium en de fractionele excretie van natrium niet gebruikt kunnen worden. Uit onderzoek van Fenske et al. bleek dat de fractionele excretie van urinezuur hiervoor wel een goede maat is [Fenske, 2008]. In een later onderzoek beschreven Fenske et al. de diagnostische waarde van copeptine bij patiënten met hypo-osmolaire hyponatriëmie zonder nierinsufficiëntie. Het meten van copeptine en de urine osmolaliteit bleek hierbij een eenvoudige test om polydipsie aan te tonen, dan wel uit te sluiten (waarbij overigens wel zeer weinig met polydipsie in het onderzoekscohort waren opgenomen). De copeptine/urine-natrium ratio kan volgens de onderzoekers gebruikt worden om te onderscheiden tussen SIADH en natriumdepletie [Fenske, 2009]. Bij patiënten bij wie alleen basale testresultaten bekend zijn blijkt het urine natrium een tamelijk goede test te zijn om SIADH en hypovolemie te onderscheiden bij patiënten met hyponatriëmie en een lage serum osmolaliteit [Hato, 2010].
De diagnostische waarde van een diagnostisch algoritme voor het opsporen van de oorzaken van hyponatriëmie werd eveneens beschreven door Fenske et al. In dit onderzoek vergeleken zij de diagnostische workup volgens het algoritme uitgevoerd door een jonge arts (zie onderstaand schema), met de diagnose door een senior arts met veel ervaring in interne geneeskunde en intensive care. Als referentie werd de complete diagnostische workup door een ervaren endocrinoloog, expert op het gebied van hyponatriëmie, genomen. Tussen het algoritme en de referentie bestond 71% overeenkomst in diagnose en 86% in therapeutische consequenties (ter vergelijking: tussen senior arts en referentie was dit 32% respectievelijk 48%). Strikte toepassing van het algoritme had derhalve een hogere diagnostische accuratesse dan een ervaren klinische blik, waarbij moet worden opgemerkt dat het algoritme niet in staat was om primaire polydipsie vast te stellen en er ook diagnostische problemen waren bij patiënten die diuretica gebruikten [Fenske, 2010].
Diagnostisch algoritme hyponatriëmie.jpg

Figuur. Diagnostisch algoritme volgens Fenske et al, 2010