Navigatie

Evidence rapport hyponatriëmie epidemiologie

Uit Richtlijn elektrolytstoornissen

Ga naar: navigatie, zoeken

Uit een onderzoek bij een beperkt aantal patiënten waarbij retrospectief oorzaken en risicofactoren voor ernstige hyponatriëmie werden onderzocht, bleek dat hyponatriëmie optrad bij 0,17% van alle opnames. Dergelijke prevalentiecijfers zijn echter sterk afhankelijk van definitie (bijv. welke grens voor hyponatriëmie?) en populatie (bijv. gespecialiseerd centrum in vergelijking met algemeen ziekenhuis). Bij 2/3 van de patiënten in dit onderzoek waren veranderingen in de mentale status aanwezig, die gerelateerd kunnen zijn aan hyponatriëmie. Factoren die geassocieerd zijn met hyponatriëmie en mentale veranderingen zijn: volumedepletie, hartfalen, SIADH, gebruik van thiazide diuretica, gebruik SSRI’s, maligniteit, alcoholmisbruik en gebruik NSAID’s [Bissram, 2007]. Ook uit het onderzoek van Movig onder een beperkt aantal patiënten bleek een relatie tussen SSRI’s en het optreden van hyponatriëmie [Movig, 2002].
Uit een onderzoek met een zeer groot aantal patiënten, maar met beperkt beschreven resultaten, bleek dat de mortaliteit verhoogd was bij patiënten met hyponatriëmie. Hierbij werd een dosis-respons relatie gezien: hoe lager het serum natrium, des te hoger de mortaliteit (bij patiënten met hyponatriëmie) [Funk, 2010]. Een vergelijkbare relatie werd ook gezien in een populatie patiënten met een longembolie. In deze groep had 21% hyponatriëmie, van wie ruim 2% Na+ < 130 mmol/L. Bij een lager serum natrium werd vaker ernstige klinische ziekte gezien en een hogere sterfte [Scherz, 2010].
Wald et al. Onderzochten epidemiologische verschillen tussen patiënten die met hyponatriëmie werden opgenomen en patiënten die hyponatriëmie kregen tijdens het verblijf in het ziekenhuis. Bij 38% van deze patiënten bleek dat zij hyponatriëmie hadden bij opname. Tijdens opname kreeg 38% van de patiënten hyponatriëmie. Daarbij moet echter wel vermeld worden dat hyponatriëmie in dit onderzoek gedefinieerd is als serum natrium < 138 mmol/L en dat patiënten met serum natrium > 142 mmol/L geëxcludeerd werden. Patiënten met hyponatriëmie bij opname waren vaker voor een interne oorzaak opgenomen en minder vaak voor psychiatrische aandoeningen. De mortaliteit was hoger bij hyponatriëmie bij opname en ook was dit geassocieerd met een langer ziekenhuisverblijf. Elke mmol daling van het serum natrium was geassocieerd met een stijging van het risico op mortaliteit met 8%. Patiënten die hyponatriëmie ontwikkelden tijdens opname waren vaker voor een chirurgische ingreep opgenomen en hadden vaker comorbiditeit. Ook bij deze groep patiënten was sprake van een verhoogde kans op overlijden en een langer ziekenhuisverblijf [Wald, 2010].
Onderzoek op een neurochirurgische afdeling liet zien dat ernstige hyponatriëmie veel voorkwam bij patiënten met een subarachnoïdale bloeding, patiënten met tumoren, patiënten na chirurgie en patiënten met een afwijking aan de hypofyse. In deze populatie trad SIADH op bij 62%, hypovolemie bij 27% en cerebraal zoutverlies bij 5%. Ernstige hyponatriëmie bleek in deze populatie geassocieerd met een langer ziekenhuisverblijf [Sherlock, 2009].
Kao et al. beschreven de prevalentie van cerbraal zoutverlies bij patiënten met een subarachnoïdale bloeding. Hyponatriëmie trad hierbij op bij 59% van de patiënten, waarbij bij 15% ernstig. Van deze laatste groep had 23% SIADH en 42% cerebraal zoutverlies. Hyponatriëmie was in deze patiëntengroep geassocieerd met een langer ziekenhuisverblijf [Kao, 2009].
Bij patiënten die transsphenoïdale chirurgie ondergingen voor hypothalamus-/hypofysetumoren bleek een incidentie van postoperatieve hyponatriëmie van 26%. Gemiddeld trad dit zo’n tien dagen na de operatie op. De osmolaliteit bleek omgekeerd gecorreleerd aan arginine vasopressinelevels (r=0,80 in deze populatie) [Sata, 2006].
Een Amerikaans onderzoek beschreven het voorkomen van hyponatriëmie na het lopen van een marathon. Uit dit onderzoek onder een beperkt aantal deelnemers en met niet te controleren omstandigheden, bleek een incidentie van ongeveer 6% [Hsieh, 2002].
Uit een zeer matig beschreven systematische review tenslotte bleek dat de incidentie van hyponatriëmie onder ouderen die desmopressine gebruiken voor nocturie ongeveer 8% te zijn [Weatherall, 2004].